Image default
Instellingen Politiek Samenleving telex

Lidmaatschap Brusselse jeugdbewegingen is bijna ‘erfelijk’

Frans Steenhoudt

Het taalbarometeronderzoek van het Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum (BRIO), onder leiding van VUB-professor Rudi Janssens maakte in 2014 en in 2019 een analyse van de taalsituatie in de 19 gemeenten van de Brusselse rand. Hierbij werd bij gezinnen met kinderen ook gepeild naar de participatie in de lokale jeugdwerking. Een vergelijking van de resultaten van 2014 en 2019 toont aan dat taal een belangrijke rol speelt in deelname aan het lokale verenigingsleven. Het aandeel van kinderen en jongeren die thuis Nederlands spreken is veel hoger dan van kinderen met een andere thuistaal. Lokale sportclubs blijven bij de jeugd ongeacht de thuistaal het populairst.

“Voor jongeren spelen jeugdbewegingen een belangrijke rol in hun proces van persoonlijke ontplooiing, en het omgaan en samenwerken met anderen”, wet Janssens. “Op maatschappelijk vlak is het een belangrijk element om sociale cohesie te bevorderen. We stellen vast dat jongeren met een andere thuistaal hun weg niet vinden naar het verenigingsleven. Zelfs in de sportclubs daalt hun aanwezigheid. De vraag is in hoeverre dat in het kader van een integratiebeleid kan gestimuleerd worden.”

In het onderzoek van BRIO wordt een onderscheid gemaakt tussen een lokale Nederlandstalige jeugdverenigingen, lokale Nederlandstalige sportclubs en de gemeentelijke speelpleinwerking. In een jeugdbeweging is de kennis van de taal belangrijk om aan activiteiten te kunnen deelnemen, in een sportvereniging domineert het sportieve en in lokale speelpleinwerking besteden sommige gemeenten net extra aandacht aan het ondersteunen van het gebruik van het Nederlands.

Participatie aan lokale activiteiten door gezinnen met kinderen naar huidige thuistaal

Uit het onderzoek blijkt dat jeugdbewegingen het meest homogene publiek hebben: de meeste leden komen uit eentalig Nederlandstalige gezinnen, behoren qua diplomaniveau tot de middenklasse of de hogere klasse en gaan veelal naar het Nederlandstalig onderwijs. Andere kinderen vinden moeilijker de weg naar de jeugdbeweging. De lage participatiegraad van Franstaligen kan deels verklaard worden door het feit dat ze zich aansluiten bij Franstalige verenigingen. Jongeren uit anderstalige gezinnen nemen het minste deel aan het lokale Nederlandstalige verenigingsleven. Bij de jeugdbewegingen ontbreken ze helemaal. De speelpleinwerking is het meest evenwichtig samengesteld.

Uit internationaal onderzoek blijkt al dat het vooral de kinderen uit de middenklasse zijn die aan het verenigingsleven participeren. Zo hebben traditionele jeugdverenigingen zelfs een ‘erfelijk’ karakter, de ouders van leden waren eveneens lid van een jeugdbeweging. De meeste lokale verenigingen stellen zich doorgaans geen vragen bij die homogene samenstelling. Ze staan niet per se afkerig tegenover diversiteit, maar gaan er evenmin actief naar op zoek. “Uitgaande van het feit dat lidmaatschap van een lokale vereniging een indicatie kan zijn van de sociale cohesie van deze leefgemeenschap, zijn in de Rand sportclubs daarom een belangrijkere integrerende factor dan de traditionele jeugdbewegingen, die veel meer op basis van taalachtergrond zijn samengesteld”, besluit Janssens. “De vraag is in welke mate dat een aandachtspunt moet zijn in een beleid gericht op sociale cohesie.”

Topvoetballers drinken niet genoeg

frans

Hoog tijd voor een ecologische transitie, voor het te laat is

Christian Du Brulle

VUB-campus groeit in één klap met 33.000 m²

frans