Image default
Aarde Archéologie Geschiedenis

Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen II: de bodem geeft zijn geheimen prijs

Frans Steenhoudt

Het nieuwe Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen II (DHMV II) is een quasi oneindige bron van ontdekkingen voor archeologen en landschapskundigen. Het model zorgt voor nieuwe inzichten, soms bevestigt het wat we al uit historische bronnen kenden. En dat zonder ook maar één spadesteek in de grond. De analyses van de ruwe data gebeurde door drie vorsers van het agentschap Onroerend Erfgoed: VUB-professor Marc De Bie, Jan Bastiaens en Erwin Meylemans.

Goed bewaard landschap uit de ijstijd

Grote delen van de Kempische bos- en heidegebieden dragen nog de sporen van de koudste periode van de laatste ijstijd, ongeveer 20.000 jaar geleden. “Het typische aspect van dat landschap, met grote, polygonale structuren met een diameter van tientallen meters, is duidelijk waar te nemen in de microtopografie”, zegt geograaf Jan Bastiaens. “Ze zijn het gevolg van enorme ijswiggen die zich tijdens de ijstijd in de bodem ontwikkelden. Zo’n wig kan verschillende meters diep zijn. De wiggen waren al bekend bij geologen, die ze hier en daar in bodemprofielen beschreven. Dat ze soms ook aan de bovenkant van het landschap en op zo’n grote schaal bewaard zijn, is nieuw.”

Centraal in het beeld zijn periglaciale polygonen in Landschap de Liereman te zien, tussen twee armen van de aanvoersloot van de nooit afgewerkte 19de eeuwse watering (vloeiweiden). Pal noord-zuid loopt de afvoersloot van de watering. Periglaciale polygonen dateren van zo’n 20 000 jaar geleden, toen het in de laatste ijstijd op zijn koudst was, zo koud dat de grond zo hard kromp dat hij scheurde in een polygonaal patroon, met cellen van enkele tientallen meter diameter. In de schuren vormden zich ‘muren’ van ijs – ijswiggen in dwarsdoorsnede. Na het afsmelten van het ijs raakte de scheuren opgevuld met zand, maar niet helemaal. Stel je bij dit beeld een kudde muskusossen, wat sneeuwuilen, rendieren en voorbijtrekkende groep mammoeten voor.
‘Levende’ periglaciale polygonen zijn nu nog te zien in Siberië, Canada en Alaska. (Beeld DHMVII/agentschap Onroerend Erfgoed)

“Na de laatste ijstijd ontdooiden de wiggen”, zegt Bastiaens. “Ze raakten opgevuld met zand. Maar niet helemaal. De sporen ervan zijn soms tot een halve meter diep en zijn het best bewaard onder bos. Als je door de Kempische bossen wandelt, kan je de polygonen amper zien. Dat komt niet alleen door de ondergroei in het bos, maar ook omdat de polygonen zo groot zijn. Het bewaarde landschap lijkt op de nu bestaande landschappen in het noorden van Canada, in Siberië en in Alaska, die nog altijd permafrostgebieden zijn.”

Prehistorie en adellijk vertier

Het DHMV II werd van in het begin gebruikt om heel precies de vele prehistorische en Romeinse grafheuvels in kaart te brengen die in het Meerdaalwoud en Heverleebos bewaard zijn gebleven. Dankzij de gedetailleerde weergave kunnen de onderzoekers de heuvels via hun vorm beter situeren in de tijd.

Recent is ook gebleken dat subtiele reliëfverschillen te linken zijn aan de 18de-eeuwse aanleg van dreven en zogenaamde salons in het bos. Die werden ingericht voor de jacht en ander adellijk vertier.

Ook in andere bossen werden – tot nu onbekende – grafheuvels ontdekt, onder andere in Postel. Vermoedelijke datering: bronstijd of ijzertijd. Nader onderzoek moet dat duidelijk maken.

 

Keltische landbouw op het Kempens plateau

Voordien erg zeldzaam, maar door het hoogtemodel plots relatief wijd verspreid: akkers uit de ijzertijd. Het DHMV II toont bijzonder uitgestrekte en goedbewaarde landbouwcomplexen op het Kempens plateau: een patroon van vierkante akkertjes, telkens ongeveer 40 op 40 meter groot en omsloten door aarden wallen. Eén van de grootste van deze complexen, in het Kolisbos in Neerpelt, is sinds juli 2017 beschermd als archeologische site.

IJzererst en laagovens in het Zoniënwoud

Het Zoniënwoud is ooit het toneel geweest van redelijk intensieve houtskoolproductie, de ontginning van het lokale ijzererst en zelfs van de productie van ijzer in laagovens. Veel daarvan was al bekend, onder meer door het werk van de Gentse professor Roger Langohr. Het DHMV II toont ons een enorm aantal meilers, constructies waarmee van in de middeleeuwen tot in de 19de eeuw houtskool werd geproduceerd.

“De constructies waren opgebouwd uit grote stapels hout”, zegt prof Marc De Bie. “Daarop lagen grond, houtskoolgruis en varenbladeren. Het hout werd heel traag gestookt, met weinig zuurstof en op lage temperatuur. Na afkoeling bleef een berg houtskool over. In het Zoniënwoud vind je duizenden van die meilers. Ze geven een goed beeld van de semi-industriële schaal waarop houtskool werd geproduceerd.”

Het woud getuigt van nog vroegere sporen van industriële activiteit. “Destijds schreef Langohr al over schachten voor de ontginning van ijzererts. Met het DHMV II konden we die nu beter in kaart brengen. De tertiaire zanden in en rond Brussel bevatten relatief veel ijzerzandsteen. Daaruit werd in laagovens in kuilen ijzer gewonnen. Dat gebeurde zeker al in de vroege middeleeuwen, tussen de jaren 700 en 900.”

Met paard en kar langs vergeten wegen

Op dit beeld is goed te zien hoe de Nolse Duinen over een bundel karrensporen trekken, toen in de heide, nu onder naaldbos. Zandverstuivingen bemoeilijkten het verkeer over deze wegen ernstig. (Beeld DHMVII/agentschap Onroerend Erfgoed)

Op verschillende plaatsen in Vlaanderen, meestal in historische bosgebieden, vonden de vorsers bundels van karrensporen. In de meeste gevallen stammen die waarschijnlijk uit de middeleeuwen of de postmiddeleeuwse periode. Soms zijn ze terug te voeren tot nog oudere wegtracés. Het klassieke voorbeeld van karrensporen is het Ballooërveld in de Nederlandse provincie Drenthe. De karrensporen daar bleken in oorsprong tenminste te dateren uit de vroege middeleeuwen.

“Alles bij elkaar beschikken we nu over honderden dergelijke bundels”, zegt archeoloog Erwin Meylemans. “Bij ons moet het archeologisch onderzoek van deze wegtracés nog starten. Een degelijk en systematisch onderzoek kan belangrijke patronen blootleggen en nieuwe inzichten verschaffen over de vroegere handelsroutes en over de exploitatie van het sommige delen van Vlaanderen.”

Ongeziene irrigatiesystemen

De groeiende bevolking in de Lage Landen deed de vraag naar voedsel in de vroege middeleeuwen exponentieel toenemen. Om de productie op te krikken, werden voor het eerst irrigatiesystemen aangelegd. Landbouwers tapten beekwater af om graslanden te irrigeren en zo de opbrengst van hooilanden te doen stijgen.

Dankzij de irrigatiekanalen konden landbouwers meer hooi produceren voor hun dieren en hun areaal geschikte hooilanden vergroten. Onderzoekers hadden al vermoedens over het bestaan van dergelijke irrigatiesystemen. Maar in de archieven viel er niets over terug te vinden, en op het terrein kon je ze nauwelijks zien. Het hoogtemodel werpt hier nu nieuw licht op.

Veel later, vanaf het midden van de 19de eeuw, werd irrigatie systematischer aangepakt. Vanaf de Maas legden ingenieurs een netwerk aan van kanalen en vaarten. Doel was de Kempen vruchtbaarder en productiever te maken. De kanalen voedden een complex van vloeiweiden of wateringen, laaggelegen hooilanden die werden voorzien van een ingenieus drainagesysteem om het overtollige water uit de beken aan te voeren. Ook dat netwerk is nu beter gedocumenteerd. Het experiment mislukte overigens. Verdere pogingen om de Kempen te irrigeren werden in de 19de eeuw al opgegeven.

Wijnbouw in de Dijlestreek

Er was een tijd dat op de zuidhellingen van de Oost- en Zuid-Brabantse heuvels aan intensieve wijnbouw werd gedaan. De sporen van die activiteit kon je nog min of meer zien op de Ferrariskaarten, een reeks van 275 uiterst gedetailleerde topografische kaarten van de Lage Landen uit de 18de eeuw.

De ingrepen die de toemalige wijnbouwers ruim driehonderd jaar geleden deden in het landschap, kunnen we nu dankzij het DHMV II in detail bestuderen. “Op de Wijngaardberg in Wezemaal-Rotselaar vond je in de 18de eeuw talrijke wijngaarden”, zegt Meylemans. “De druiventeelt ging er terug op wijnbouw uit de Romeinse tijd. Dat weten we uit historische bronnen. De wijnbouw ging volledig verloren in de 20ste eeuw, na een korte opflakkering in de 19de eeuw, en de met het blote oog zichtbare sporen zijn er nagenoeg volledig uit het landschap verdwenen.”

 

Ten slotte werpt het hoogtemodel ook een nieuw licht op de beide wereldoorlogen. Loopgraven, bunkers en andere structuren worden met een ongeziene precisie weergegeven. Uiteraard vinden we tal van voorbeelden in de Westhoek. Ook in het Kempische Mastenbos (Kapellen) of op de Mechelse Heide in Limburg komen uitgestrekte oorlogslandschappen duidelijk in beeld. Rond deze laatste site verrichten onderzoekers van de UGent erg verdienstelijk werk.

Uit de Tweede Wereldoorlog dateert dan weer een Duits schuttersnest in Lichtaart nabij Herentals. Het gaat om een zogenaamde Flakstellung waarin Duits afweergeschut was ondergebracht. Het luchtafweer moest de nabijgelegen fabrieken van Union Minière, het huidige Umicore, beschermen tegen vijandige luchtaanvallen. De plek waar de Flakstellung ontdekt werd, is nu natuurgebied.

 

Print Friendly, PDF & Email

Dertig jaar Brussels Gewest: veel jongere bevolking en meer evenwicht tussen mannen en vrouwen

Christian Du Brulle

Bruegel was in zijn tijd vooral bekend als tekenaar

Christian Du Brulle

Steenanalyse uit megakrater geeft unieke blik in de eerste dagen na meteorietinslag

frans